Gisteren was onze laatste vakantiedag. Een Henk, rara welke (!), had 's avonds zijn koffer al ingepakt. De ander begon 's nachts pas met een beetje verzamelen van eigen dingen, allerlei schrijfspullen terug in een platte doos, en stempel plakband postzegels: zeg maar bureaudingen, in een reisschrijfdoosje. Schilderijtjes van Hellah en Dalai van de muur, ook de engel die al meer dan tien jaar meereist, en de volgende ochtend pas de kleren en slaapmiddelen (dat zijn geen medicamenten maar grote lakens) bij elkaar gezocht en om mee terug te nemen. Al snel na mijn ochtendstrandbezoek kwam Abdel ons ophalen om naar huis te rijden in een ruime auto. Mijn kleedje op de achterbank, daarnaast een Henk en voila, daar gingen we.
Ik keek voor het instappen nog één keer naar de hemel boven de zee. Zag ik daar het windzeil van mijn zeilvriendje langs de lucht jagen? Dezelfde als die op de foto staat? Ik weet het niet, ook ik kan niet dwars door de duinen heen kijken... Had ik het mogen bepalen, dan waren we gewoon even gaan kijken. Het huis waar we wonen blijft toch wel wachten, toch? Dat strandzeilen is staartendol kicken! Als er veel waai is dan duwt de wind de strandparachute waaraan een kustskelter vastzit gigahard vooruit. Op de foto zie je de parachute niet, die bleef heel hoog in de lucht wachten totdat ie verder mocht. Maar met hem en deze kustskelter ben ik een keer heeeel hard mee wezen rennen. Ja, ik kon hem bijhouden! Daar is wel een foto van, maar daar zijn we niet op te zien omdat we zó hard gingen, dat we al uit zicht verdwenen waren voordat een foto ons inhaalde.

